.

Ik had vaak gedachten over zelfdoding

Ik had het thuis niet zo fijn. We zijn nooit een hecht gezin geweest, er werd niet over gevoelens of emoties gepraat. Mijn vader was agressief en mijn moeder dronk regelmatig best veel.

Op school had ik geen echte vriendinnen. Alleen oppervlakkige vriendschappen. Ik leek een vrolijke meid. Maar ik durfde geen echte vriendschappen aan te gaan, ik kon mensen toch niet mee naar huis nemen. Ik hield ze dus op afstand. Niemand hoefde te weten hoe het er bij mij thuis aan toe ging.

Het plan lag klaar

Ik had een heel plan klaarliggen. Ik wilde andere mensen er niet mee lastigvallen, dus ik zou het doen door pillen te slikken op een rustig plekje ergens aan het water. Ik wachtte op de zogenaamde druppel. 

'Zou je dood willen?' vroeg ze

Met mijn mentor had ik een goede band. Ze had in de gaten dat ik somberder werd, dat ik mensen niet dichtbij liet komen en steeds meer in mezelf gekeerd raakte. Ik zei haar ook dat de wereld beter af zou zijn zonder mij. Dat was het moment dat ze me vroeg ‘Zou je dood willen?’ We hebben heel lang gepraat. Ze overtuigde me dat ik hulp moest zoeken en is zelfs met me meegegaan naar de huisarts.

Negatieve gedachten omzetten

Zo kwam ik terecht bij de poli Suïcidepreventie waar ik fijne gesprekken heb gevoerd. Daarna heb ik een tijdje een behandeling gevolgd die mij leerde negatieve gedachten te herkennen en te stoppen. Ik ging me beter over mezelf voelen. Ik woon nu op kamers, ik studeer en heb voor het eerst in mijn leven een paar hele goede vriendinnen. Met momenten voel ik mij nog steeds leeg en onzeker. Maar ik heb geen suïcidale gedachten meer.